Art. 23 Wet Bpf 2000

Art. 23 Wet Bpf 2000 regelt de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon voor de deelnemingsbijdragen die de rechtspersoon verschuldigd is aan een bedrijfstakpensioenfonds. In HR 21 mei, ECLI:NL:HR:2021:754 overweegt de Hoge Raad over bedoeld artikel het volgende:

De regeling houdt kort gezegd het volgende in. De rechtspersoon doet onverwijld nadat is gebleken dat hij niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling aan het bedrijfstakpensioenfonds en verstrekt desverlangd nadere inlichtingen en stukken (lid 2). Indien de rechtspersoon op juiste wijze aan deze verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling (lid 3). Indien de rechtspersoon niet aan deze verplichting heeft voldaan, wordt vermoed dat het niet betalen van de bijdragen te wijten is aan de bestuurder en dient hij aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat de rechtspersoon niet aan haar in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan (lid 4).

HR 21 mei, ECLI:NL:HR:2021:754

Centraal in deze zaak staat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap. Bij schrijven van 4 december 2009 heeft de bestuurder namens de vennootschap gemeld dat de vennootschap niet in staat was de verschuldigde premies te betalen (mededeling van betalingsonmacht). De vennootschap is op 19 juli 2011 failliet verklaard.

Het pensioenfonds heeft de (voormalig) bestuurder daaropvolgend op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de niet afgedragen pensioenpremies.

Ter beoordeling is de aansprakelijkheid van (gewezen) bestuurder voor het niet-afdragen pensioenpremies (art. 23 Wet Bpf 2000) en de daaraan gekoppelde mededeling van betalingsonmacht. Mogen bestuurshandelingen ook over de periode na de mededeling getoetst worden?

Uitleg termijn artikel 23 lid 3 Wet Bpf 2000

Lagere Instanties

In dit geding vordert het bedrijfstakpensioenfonds betaling door [eiser] van onbetaald gebleven premies over de jaren 2008 tot en met 2010 ter hoogte van € 75.665,88. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [A] verschuldigde bijdragen aan het bedrijfstakpensioenfonds. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd bij arrest van 26 april 2016. De Hoge Raad heeft dat arrest vernietigd bij arrest van 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3019 en de zaak verwezen naar het hof.

Na verwijzing ging het om de vraag of de bestuurder ondanks de rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht zodanig jegens het pensioenfonds had gehandeld dat aannemelijk is dat het niet betalen van de premies het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof beantwoordde die vraag bevestigend. Tegen dat oordeel stelt de bestuurder cassatieberoep in.

Het cassatie-onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat zowel de tekst als de wetsgeschiedenis van art. 23 Wet Bpf 2000 duidelijk maakt dat de aansprakelijkheid uit dien hoofde slechts kan worden gebaseerd op kennelijk onbehoorlijk bestuur in de referteperiode van drie jaar voorafgaande aan de mededeling van betalingsonmacht.

Hoge Raad: geen herhaalde Mededeling

De Hoge Raad oordeelt – onder verwijzing naar zijn eerdere arrest in deze zaak (HR 24 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:3019, CB 2017-204) – dat indien een mededeling van betalingsonmacht is gedaan, een zodanige mededeling niet opnieuw hoeft te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand. Dit oordeel berust op het ervaringsfeit dat betalingsonmacht veelal niet beperkt blijft tot een enkel tijdvak en dat nieuwe mededelingen weinig toevoegen aan de kennis die het bedrijfstakpensioenfonds ontleent aan de eerdere mededeling, alsmede op de ernstige bewijsrechtelijke en financiële gevolgen die voor een bestuurder zijn verbonden aan het feit dat een tijdige en correcte mededeling haar werking verliest.

Uitzondering

Uitzondering op voornoemde hoofdregel vormt volgens de Hoge Raad de omstandigheid dat het pensioenfonds de betalingsplichtige na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. De Hoge Raad overweegt in het licht hiervan dat de aansprakelijkheid van een bestuurder hierdoor ook kan berusten op aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur dat plaatsvindt na (oorspronkelijke) mededeling ex. art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000.

In r.o. 3.4 overweegt de Hoge Raad:

Met het voorgaande strookt het te aanvaarden dat in een geval waarin een mededeling van betalingsonmacht is gedaan en de betalingsachterstand voortduurt – zodat de rechtspersoon aan zijn mededelingsplicht ingevolge art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 heeft voldaan zonder dat daartoe voor ieder volgend tijdvak wederom mededeling van betalingsonmacht behoeft te worden gedaan – de in art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 bedoelde aansprakelijkheid van een bestuurder ook kan berusten op aan die bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur dat heeft plaatsgevonden na het tijdstip van de mededeling.

In zodanig geval wordt de in art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 genoemde periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling berekend naar het moment waarop een mededeling van betalingsonmacht voor een specifieke bijdrage uiterlijk zou hebben moeten plaatsvinden als de eerdere mededeling van betalingsonmacht niet was gedaan.