Termijn Veertiendagenbrief

 

Bespreking Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2015:813, Bepaling van aanvang termijn zoals bedoeld in art. 6:96 lid 6 BW. Onjuiste of onvoldoende duidelijk aanzegging van de termijn leidt volgens de Rechtbank tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Hof is van oordeel dat onder omstandigheden (naast de hoofdsom) buitengerechtelijke kosten ondanks toepassing onjuiste termijn verschuldigd zijn, zoals bij betalingsonmacht schuldenaar. Nadelig verrassingseffect ontbreekt.

Kantonrechter

De kantonrechter heeft de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat naar zijn oordeel gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. De beslissing tot afwijzing van de buitengerechtelijke kosten is bij brief van de teamvoorzitter van het Team Kanton toegelicht. In die brief is opgenomen dat er bij de beoordeling wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de schuldenaar de aanmaning de dag na dagtekening heeft ontvangen en dat de termijn van 14 dagen aldus twee dagen na dagtekening van de aanmaning begint. Onjuiste of onvoldoende duidelijk aanzegging van de termijn leidt tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

Hoger Beroep

De grieven richten zich tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt volgens het Hof dat de vergoeding van buitengerechtelijke kosten door een consument eerst verschuldigd kan worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 6:81 BW, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels als bedoeld in lid 5 wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.

Met deze regeling is, aldus het Hof, beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing in de zogenaamde veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden (vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405).

Aanvang Termijn

De brief van Woonzorg van 17 juni 2014 voldoet volgens het Hof in zoverre aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen dat aan [geïntimeerde] daarin een termijn van veertien dagen is gegund om alsnog tot betaling over te gaan en dat in die brief is uiteen gezet welke kosten hij bij niet-betaling is verschuldigd.

Woonzorg neemt in de toelichting op haar grieven daarbij terecht tot uitgangspunt dat uit de wet volgt dat de termijn van veertien dagen gaat lopen de dag na aanmaning en niet, zoals in de brief van de voorzitter van het Team Kanton is neergelegd, twee dagen na dagtekening van de aanmaning.

Onjuiste Termijn

De in de brief van 17 juni 2014 genoemde termijn is naar het oordeel van het Hof echter in zoverre niet juist dat in de brief óók wordt gesproken over “een termijn van veertien dagen na heden”. Weliswaar is deze termijn genoemd als termijn waarbinnen de vordering dient te worden betwist, maar uit de toevoeging van het woord “diezelfde” blijkt dat Woonzorg er ook voor de betaling van de hoofdsom vanuit gaat dat deze dient plaats te vinden binnen veertien dagen “na heden”.

Met “heden” kan niets anders zijn bedoeld dan de dag van dagtekening van de brief, terwijl de termijn van veertien dagen volgens de wet gaat lopen op de dag na aanmaning. De aan [geïntimeerde] gegunde termijn is zodoende één dag tekort geweest, waardoor de brief niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

Geen Termijn

Uit de wettekst volgt volgens het Hof dat de buitengerechtelijke kosten niet verschuldigd zijn wanneer niet een veertiendagenbrief is verzonden. Ook in de parlementaire toelichting is als uitgangspunt opgenomen dat, wanneer aan deze eis niet is voldaan, geen incassokosten verschuldigd zijn (Kamerstukken II 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 17). Dit gebrek kan niet worden hersteld.

Onjuiste termijn

Diezelfde consequentie moet naar het oordeel van het hof in beginsel worden verbonden aan een brief die niet aan de uit de wet voortvloeiende eisen voldoet omdat dan niet wordt voldaan aan het doel van de regeling, te weten te voorkomen dat de schuldenaar door die kosten wordt overvallen. Maar omdat gebleken is dat de schuldenaar in kwestie de vordering (inclusief kosten) helemaal niet kon voldaan, ontstaat er naar het oordeel van het Hof uiteindelijk bij het bereiken van de juiste termijn, wel de verplichting tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten. Toepassing onjuiste termijn betekent niet altijd een fataal gebrek.

Het Hof overweegt in dit verband als volgt: " In dit specifieke geval staat echter, gelet op de brief die [geïntimeerde] aan de kantonrechter heeft geschreven, niet alleen vast dat hij de volledige vordering (waartoe dus ook de buitengerechtelijke kosten behoorden) erkende, maar ook dat hij deze niet kon voldoen. [geïntimeerde] heeft de vordering ook niet voldaan, ook niet na ommekomst van de juiste termijn na de brief van 17 juni 2014".

Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat, wanneer [geïntimeerde] uit de brief van 17 juni 2014 zou hebben kunnen afleiden dat de termijn van veertien dagen ging lopen op de dag na aanmaning, en niet op de dag van dagtekening van die brief, hij wel tijdig aan de niet-betwiste vordering voldaan zou hebben.

In die omstandigheden dient volgens het Hof te worden geconcludeerd dat de brief van 17 juni 2014 toch werking heeft gehad omdat de consequentie van niet-betaling daarin duidelijk is opgenomen, en dus dat [geïntimeerde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden, zij het na effectief bereiken van de in de wet bedoelde termijn die is gaan lopen op de dag na aanmaning.

Conclusie

Het Hof is kennelijk van mening dat een stevig gebrek in de formaliteiten van een veertiendagenbrief, te weten vermelding onjuiste (lees: te korte) termijn, niet per definitie hoeft te leiden tot uitblijven van het door schuldeiser beoogde effect van bedoelde brief, namelijk het intreden van verzuim van schuldenaar ex artikel 6:96 lid 1 BW.

Indien de schuldenaar de vordering niet kan betalen (betalingsonmacht) en uiteindelijk ook niet betaalt na het verstrijken van de juiste termijn, treedt alsnog het verzuim van schuldenaar in. Schyerliggende gedachte daarvan is dat nadelige verrassingseffect van de vermelding van een onjuiste (lees: te korte) termijn hier niet aanwezig is. Schuldenaar was helemaal niet van plan de vordering inclusief kosten te betalen vanwege de betalingsonmacht.

 
 

100% No Cure No Pay | Geen Verborgen Kosten | Snelle Uitbetaling | MKB en ZZP | > 12 jaar Ervaring | Duidelijke Taal | Incassokosten Berekenen | Gratis Voorbeeldbrieven