Geen incassokosten in inningsprocedure?

 

Bespreking Rechtspraak

HR 13 november 2023, ECLI:NL:HR2023:1532

Cassatie in het belang der wet. Procesrecht. Gefinancierde rechtshulp. Art. 38 lid 4 Wet op de rechtsbijstand. Biedt inningsprocedure op voet van art. 38 lid 4 Wrb ruimte om bedrag aan buitengerechtelijke kosten toe te wijzen? Vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking in de zaak C/03/278405 / KG RK 20-338 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg van 8 juni 2020.

Vordering

De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg van 8 juni 2020 in het belang der wet zal vernietigen voor zover het verzoek tot betaling van € 40,-- aan incassokosten is afgewezen en voorts zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten die door betrokkenen zijn verkregen.

Incassokosten invorderbaar?

Deze procedure tot cassatie in het belang der wet ziet op de vraag of de rechter in de procedure op de voet van art. 38 lid 4 Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) een bedrag aan buitengerechtelijke kosten kan toewijzen. De procedure van art. 38 lid 4 Wrb biedt, kort gezegd, een rechtsbijstandverlener de mogelijkheid om de op grond van de Wrb door een rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage en overige kosten nader te laten vaststellen, en hiervoor een executoriale titel te verkrijgen, in het geval een rechtzoekende die niet betaalt.

De feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De raad voor rechtsbijstand heeft aan de rechtzoekende een toevoeging verleend, met een vastgestelde eigen bijdrage van € 143,--. (ii) De advocaat heeft de rechtsbijstand waarop de toevoeging betrekking had, verstrekt. (iii) De advocaat heeft de rechtzoekende aangemaand om de eigen bijdrage te betalen, maar de rechtzoekende heeft daaraan niet voldaan.

Invordering Advocaat

De advocaat heeft de voorzieningenrechter verzocht de verschuldigde eigen bijdrage vast te stellen op € 143,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, en om de rechtzoekende te veroordelen tot betaling van € 40,-- incassokosten, kosten rechtens.

De voorzieningenrechter heeft het bedrag van hetgeen de rechtzoekende aan de advocaat verschuldigd is, vastgesteld op € 143,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019 (de uiterste betaaldag als vermeld in de aanmaning) en de rechtzoekende bevolen om dit bedrag aan de advocaat te voldoen.

Het verzoek om vergoeding van de incassokosten heeft de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het verzoek om vergoeding van de incassokosten en de kosten rechtens van deze procedure wordt afgewezen omdat verzoeken als het onderhavige zijn vrijgesteld van griffierecht en mogelijke overige kosten niet op grond van art. 38 lid 4 Wrb en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 voor vergoeding in aanmerking komen.”

Cassatiemiddel

De advocaat is het niet eens met het oordeel van de voorzieningenrechter en stelt cassatie in het belang der wet in.

Het middel klaagt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat art. 38 lid 4 Wrb en art. 4 lid 2 Besluit vergoedingen rechtsbijstand (hierna: Bvr) de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder c, BW niet uitsluiten. Volgens het middel moet art. 38 lid 4 Wrb in verbinding met art. 4 lid 2 Bvr redelijkerwijs zo worden uitgelegd dat ook vaststelling kan worden gevraagd voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade.

Hoge Raad

Het cassatiemiddel faalt echter en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad oordeelt daarbij als volgt:

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 38 lid 4 Wrb, zoals hiervoor in 3.2.2-3.2.5 weergegeven, volgt dat de in art. 25 lid 1, onder b, WROM (oud) opgenomen grondslag om nadere regels te stellen voor de vaststelling van bedragen voor de rechtsbijstandverlener als vergoeding van de inningskosten van de eigen bijdrage en overige kosten, is komen te vervallen omdat volgens de wetgever de in art. 38 lid 3 Wrb opgenomen voorschotregeling de inning van de eigen bijdrage en overige kosten voldoende verzekert.

De oorspronkelijke in de Wtbz neergelegde regeling van de inningsprocedure voorzag evenmin in een vergoeding van de incasso- of proceskosten van de rechtsbijstandverlener, hetgeen verband houdt met de aard van de inningsprocedure.

De aard van de inningsprocedure is door schrapping van de verwijzing in art. 38 lid 4 Wrb naar de art. 34-40 Wtbz (oud) niet veranderd.

De laagdrempelige inningsprocedure strekt tot een eenvoudige rechterlijke vaststelling door de voorzieningenrechter van de op grond van de Wrb aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde eigen bijdrage en overige kosten, en tot een voortvarende executoriale titelverlening ten behoeve van de rechtsbijstandverlener voor inning van de daarmee gemoeide bedragen.

De aard van de procedure verzet zich tegen een debat over, en beoordeling van, andere kosten of schade aan de zijde van de rechtsbijstandverlener, zoals met de inning van de eigen bijdrage en overige kosten gemoeide buitengerechtelijke incassokosten.

De inningsprocedure heeft dan ook alleen betrekking op de vaststelling van de eigen bijdrage en overige kosten en biedt geen ruimte voor een veroordeling tot vergoeding van de kosten van inning van de eigen bijdrage en overige kosten. Het door de advocaat ingestelde cassatiemiddel faalt volgens de Hoge Raad.

 
 

100% No Cure No Pay | Geen Verborgen Kosten | Snelle Uitbetaling | MKB en ZZP | > 12 jaar Ervaring | Duidelijke Taal | Incassokosten Berekenen | Gratis Voorbeeldbrieven