Contractuele Opschorting en Opzegging

 

Bespreking Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2023:5473, Bouwzaak. Partijen verschillen van mening over de kwaliteit van het werk dat de aannemer op dat moment ten dele is uitgevoerd. Opdrachtgever laat een deel van de facturen onbetaald en wenst correcte nakoming. Volgens de aannemer stond het de opdrachtgever niet vrij zijn betalingsverplichting (langer dan 1 maand) op te schorten waarop hij weigert verder te werken. Onder verwijzing naar de overeenkomst zegt de aannemer daarop de tussen partijen bestaande overeenkomst op. Partijen verschillen vervolgens van mening of en zo ja op welk moment de overeenkomst is geëindigd en hoe zij onderling moeten afrekenen.

Deze casus maakt duidelijk dat een contractuele opschortingsbevoegdheid van een opdrachtgever contraceel beperkt kan en mag worden door de opdrachtnemer (aannemer) door het contractueel opnemen van een maximale termijn waarna een opzeggingsbevoegdheid voor opdrachtnemer ontstaat.

Het Geschil

Tussen opdrachtgever [appellant] en aannemer Bouwbedrijf Koster is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. Overeengekomen is een aanneemsom van € 281.930,- (inclusief btw) of wel € 233.000,- (exclusief btw). Betaling zou plaatsvinden in vijf termijnen.

Partijen verschillen na een tijd van mening over de kwaliteit van het uitgevoerde werk, terwijl de bouw ook meer tijd heeft gekost dan overeenkomen of verwacht.

Opdrachtgever laat een deel van de facturen onbetaald en wenst correcte nakoming. De eerste drie facturen worden door opdrachtgever voldaan. Van de vierde factuur is 75% niet betaald en de vijfde factuur is geheel onbetaald gebleven. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] in het totaal € 190.302,75 van de gefactureerde bedragen heeft voldaan en € 91.627,25 onbetaald gelaten.

Aannemer meent dat opdrachtgever gezien de nog te verrichten werkzaamheden een te groot bedrag onbetaald laat en weigert onder die omstandigheden verder te werken.

Bouwstop + schorsing

De situatie tussen partijen escaleert waarbij sprake is van een door opdrachtgever uitgeroepen bouwstop en het daarop eenzijdig beëindigen van de overeenkomst door de aannemer. Partijen verschillen vervolgens van mening of en zo ja wanneer de overeenkomst is geëindigd en over de manier waarop zij onderling moeten afrekenen.

Voor wat betreft dat laatste verschillen zij van mening over de waarde van het reeds gewerkte deel, van het nog te verrichten deel en het meer/minder werk. Het geschil roept nog een aantal andere twistpunten in het leven, zoals de vraag of er schorsingsbevoegdheid is ontstaan en wat de bruikbaarheid en bewijskracht van de diverse deskundigenberichten is. In dit artikel wordt ingezoomd op de door opdrachtgever toegepaste schorsing.

Contractuele bevoegdheden

In de algemene voorwaarden van de aannemer staat een bepaling dat schorsing van betaling door opdrachtgever mogelijk maakt. Hiermee wordt het bestaan een schorsingsbevoegdheid van opdrachtgever onder omstandigheden vanuit opdrachtnemer contractuele vastgelegd. Anderzijds bestaat met Artikel 14 lid 4 een bevoegdheid tot opzegging voor de opdrachtnemer werkzaamheden te beëindigen indien de betaling langer dan 1 maand opgeschort is. Dit is een soort contractueel ingebouwde redelijkheidsclause.

Artikel 13: opschorting van de betaling
Indien het uitgevoerde werk niet voldoet aan de overeenkomst heeft de opdrachtgever het recht de betaling geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het met de opschorting gemoeide bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de tekortkoming. De opdrachtgever meldt schriftelijk of elektronisch de opschorting en de reden daarvan aan de aannemer.

Artikel 14: Schorsing, beëindiging van het werk in onvoltooide staat en opzegging

1. De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk geheel of gedeeltelijk te schorsen. Voorzieningen die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, en schade die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, worden aan de aannemer vergoed.

(…)

4. Indien de schorsing langer dan een maand duurt, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen. In dat geval dient overeenkomstig het volgende lid te worden afgerekend.

5. (.....) De aannemer heeft in dat geval recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. De aannemer is gerechtigd om in plaats van voorgaande aanspraak 10% van de waarde van het niet uitgevoerde deel van het werk in rekening te brengen. (...)”

Beoordeling Rechtbank

De rechtbank oordeelt dat als gevolg van een namens opdrachtgever afgekondigde bouwstop (artikel 14 lid 1 AVA) Bouwbedrijf Koster bevoegd was de overeenkomst tussen partijen te beëindigen (artikel 14 lid 4 AVA) en dat partijen vervolgens dienden af te rekenen op de voet van artikel 14 lid 5 AVA.

Beoordeling Hof


Het opleggen van een bouwstop en de ontzegging van de toegang voldoen feitelijk aan de bewoordingen van het tussen partijen toepasselijke artikel 14 lid 1 AVA. Gezamenlijk leveren zij in feitelijke zin immers een schorsing van het werk op waarvoor het toepasselijke normenkader is omschreven in artikel 14 AVA dat de rechtsverhouding tussen partijen bepaalde. Een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 14 AVA is daarvoor niet nodig.

Dat is niet anders als [appellant] met de bouwstop niet het oog heeft gehad op artikel 14 AVA. Artikel 14 AVA omvat beide partijen beschermende bepalingen. Als opdrachtgever feitelijk gebruik maakte van een schorsingsbevoegdheid zoals omschreven in artikel 14 lid 1 AVA, kan deze niet aan Bouwbedrijf Koster een beroep op de haar beschermende bepaling van artikel 14 lid 4 AVA ontzeggen.

Ook de door opdrachtgever gestelde bedoeling dat hij slechts een tijdelijke onderbreking beoogde maakt het vorenstaande niet anders. Die tijdelijkheid ligt bovendien besloten in het woord “schorsing” zoals gebruikt in artikel 14 AVA. De bescherming van artikel 14 lid 4 AVA is aan de aannemer juist gegeven voor het geval de schorsing onaanvaardbaar lang voortduurt. Contractueel is bepaald dat de schorsing onaanvaardbaar lang duurt als deze langer duurt dan een maand.


Uit het vorenstaande volgt dat de schorsing sinds 9 maart 2018 voortduurde en dat Bouwbedrijf Koster dus bevoegd was na verloop van een maand het werk in onvoltooide staat te beëindigen zoals omschreven in artikel 14 lid 4 AVA. De juridische consequentie daarvan is dat Bouwbedrijf Koster na deze beëindiging niet langer gehouden was het werk verder af te bouwen.

Deze wijze van ‘beëindiging’ van ‘het werk’ door Bouwbedrijf Koster is gebaseerd op een eenzijdige contractuele bevoegdheid van Bouwbedrijf Koster (beëindiging) die in het leven was geroepen door de uitoefening van een eenzijdige contractuele bevoegdheid tot schorsing door [appellant] . Hoewel artikel 14 AVA spreekt over ‘de beëindiging van het werk’ en niet uitdrukkelijk over ‘de beëindiging van de overeenkomst’ ligt die consequentie daarin wel besloten. Ook partijen gaan er in het processuele debat vanuit dat de overeenkomst op die manier kan eindigen en het hof volgt hen daarin.

Opzegging

De vraag is tenslotte hoe die wijze van beëindiging van de overeenkomst juridisch geëtiketteerd moet worden. De in artikel 14 AVA gegeven bevoegdheden zijn niet verbonden aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een tekortkoming.

Het juridisch etiketteren van deze manier van beëindiging als ‘ontbinding’ ligt daarom aldus het Hof niet voor de hand. Wel kan deze manier van beëindiging van de contractuele relatie worden gekwalificeerd als een opzegging. Zij sluit daarop in haar consequenties (gegeven in artikel 14 lid 5 AVA) ook aan. Daar waar door partijen en de rechtbank wordt gesproken van ‘ontbinding’ zal het hof dit verstaan als een ‘opzegging’ waartoe de bevoegdheid contractueel is gegeven in artikel 14 lid 4 AVA.

 
 

100% No Cure No Pay | Geen Verborgen Kosten | Snelle Uitbetaling | MKB en ZZP | > 12 jaar Ervaring | Duidelijke Taal | Incassokosten Berekenen | Gratis Voorbeeldbrieven