Benadeling van schuldeisers


Bespreking Rechtspraak

ECLI:NL:HR:2023:455, Cassatie in het belang der wet. WSNP. Benadeling van schuldeisers bekend geworden na onherroepelijk worden art. 354 Fw-vonnis, maar voor verbindend worden slotuitdelingslijst. Uitleg art. 358a Fw; kan in zodanig geval ontneming schone lei worden verzocht?

Uitgangspunten en feiten

Op schuldenaren is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Door de rechter is vastgesteld dat de schuldenaren niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en is aan hen de schone lei verleend.

Benadeling Schuldeisers

Even later heeft de betrokken bewindvoerder aan de rechtbank verzocht om de schuldenaren de schone lei weer te ontnemen omdat er sprake zou zijn van benadeling van schuldeisers. De schuldenaren hebben tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling volgens de bewindvoerder niet aan hem gemeld dat zij een belastingteruggave hadden gekregen en met dit bedrag een reparatienota van hun auto hebben voldaan. Hierdoor bleef dat geld opzettelijk buiten de schuldsaneringsboedel.

Standpunt Rechtbank

De rechtbank heeft op de voet van art. 358a Fw bepaald dat art. 358 lid 1 Fw geen toepassing vindt. Zij overweegt daartoe dat de schuldenaren tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling bankafschriften hebben vervalst met de bedoeling de belastingteruggave buiten de schuldsaneringsboedel te houden, terwijl de teruggave in die boedel had moeten vloeien en daarin had moeten blijven.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat indien deze feiten tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling bekend zouden zijn geworden, dat grond zou hebben opgeleverd voor een tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid 3, onder e, Fw. De rechtbank wijst het verzoek van de bewindvoerder daarom toe en ontneemt de schuldenaren de schone lei, op grond van art. 358a Fw.

Oordeel Hof

Het hof vernietigt in hoger beroep het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van de bewindvoerder af. Het Hof overweegt dat de schone lei kan worden ontnomen, indien na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling is gebleken van feiten en omstandigheden die zich voordien hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 Fw. De schuldsaneringsregeling wordt van rechtswege beëindigd, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

In dit geval is de slotuitdelingslijst volgens het Hof nog niet verbindend geworden. Het Hof oordeelt bijgevolg dat zich geen situatie, zoals bedoeld in art. 358a Fw, voordoet en wijst het verzoek om beëindiging af. Hier past het Hof een strikte lezing van artikel 358a FW toe.

Cassatiemiddel

De Procureur-Generaal heeft gevorderd het arrest van het hof in het belang der wet te vernietigen. Volgens het middel brengt een redelijke wetsuitleg mee dat in de situatie dat het vonnis bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan, een verzoek op de voet van art. 358a Fw ook kan worden gedaan voorafgaand aan het formele einde van de schuldsaneringsregeling.

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde hoe moet worden omgegaan met een situatie waarin een poging tot benadeling van schuldeisers als bedoeld in art. 350 lid 3, onder e, Fw aan het licht komt in de periode tussen het verstrijken van de in art. 349a Fw bedoelde termijn van toepassing (‘looptijd’) van de schuldsaneringsregeling en het in art. 356 lid 2 Fw bedoelde van rechtswege eindigen van die regeling (het ‘materiële’, respectievelijk ‘formele’ einde). Die vraag dringt zich op omdat art. 358a Fw naar de letter slechts ziet op de periode na het formele einde van de schuldsaneringsregeling.

Wettelijk Kader

Door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd (de ‘schone lei’, art. 358 lid 1 Fw).

De schone lei wordt echter niet verkregen als de rechter in het vonnis bedoeld in art. 354 Fw heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten en daarbij niet op de voet van het tweede lid daarvan heeft bepaald dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (art. 358 lid 2 Fw).

Zodra de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan maakt de bewindvoerder een slotuitdelingslijst op. De toepassing van de schuldsaneringsregeling is van rechtswege beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden dan wel, indien de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van art. 354a Fw, zodra de uitspraak tot beëindiging in kracht van gewijsde is gegaan (art. 356 lid 2 Fw).

Uitleg art. 358a FW

Art. 358a Fw bepaalt dat indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling waardoor het rechtsgevolg bedoeld in art. 358 lid 1 Fw is ingetreden, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3, onder e, Fw, de rechter op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt. De beëindigingsgrond van art. 350 lid 3, onder e, Fw houdt in dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad kan onderscheid gemaakt worden in twee deelperioden:

(A) de periode tussen het materiële einde van de schuldsaneringsregeling en de uitspraak van de rechtbank op de voet van art. 354 Fw en

(B) de periode tussen die uitspraak en het formele einde van de schuldsaneringsregeling.

In casu is volgens de Hoge Raad situatie (B) van toepassing waarbij het navolgende geldt. Heeft de rechtbank eenmaal uitspraak op de voet van art. 354 Fw gedaan, dan kan geen tussentijdse beëindiging meer worden verzocht. Het past niet in het stelsel van de wet om de schuldsaneringsregeling alsnog tussentijds te beëindigen nadat de rechtbank in een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw heeft geoordeeld dat de schone lei kan worden verleend.

Een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw leidt – zodra deze kracht van gewijsde heeft – tot afwikkeling van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 356 lid 1 Fw.

Indien de schuldsaneringsregeling alsnog tussentijds zou worden beëindigd, zou de schuldenaar, indien er baten te verdelen zijn, in staat van faillissement komen te verkeren (art. 350 lid 5 Fw), met een verdeling volgens een andere rangorde tot gevolg.

Een en ander zou afbreuk doen aan de belangen van concurrente schuldeisers, die met de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw mochten rekenen op uitdeling overeenkomstig art. 349 leden 2 en 3 Fw.

Ruime Uitleg

Een ruime uitleg van art. 358a Fw ligt volgens de Hoge Raad meer voor de hand. Materieel is sprake van de situatie waarvoor die bepaling is geschreven en toepassing ervan leidt niet tot een andere wijze van afwikkeling; deze leidt slechts ertoe dat het rechtsgevolg van art. 358 lid 1 Fw (de schone lei) niet intreedt.

Deze mogelijkheid van een verzoek op de voet van art. 358a Fw laat volgens de Hoge Raad onverlet dat met een na de art. 354 Fw-uitspraak van de rechtbank gebleken poging tot benadeling van schuldeisers ook rekening kan worden gehouden in het kader van een eventueel hoger beroep van die uitspraak (zie art. 355 lid 1 Fw).

Conclusie

Uit het bovenstaande volgt dat een verzoek als bedoeld in art. 358a lid 1 Fw ook kan worden gedaan in de periode nadat de rechtbank in een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw heeft geoordeeld dat een schone lei kan worden verleend en voordat, op de voet van art. 356 lid 2 Fw, de schuldsaneringsregeling formeel is geëindigd en dus voordat de schone lei (het rechtsgevolg) van kracht is geworden.

Toewijzing van zodanig verzoek brengt mee dat, als de toepassing van de schuldsaneringsregeling ook dan nog niet formeel is geëindigd, bedoeld rechtsgevolg niet zal intreden. Dit brengt mee dat het hof het verzoek van de bewindvoerder naar het oordeel van de Hoge Raad ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat dit voortijdig is gedaan omdat van een beëindigde schuldsaneringsregeling nog geen sprake was. Het ingestelde casstiemiddel slaagt derhalve.

 
 

100% No Cure No Pay | Geen Verborgen Kosten | Snelle Uitbetaling | MKB en ZZP | > 12 jaar Ervaring | Duidelijke Taal | Incassokosten Berekenen | Gratis Voorbeeldbrieven